Vechtdal Varsen

 Historisch-geografische analyse van de buurtschap Varsen

Bert Takman

01-Kadatralekaart-1900

Het verschijnsel Shifting Baseline Syndrome (het syndroom van de verschuivende ijkpunten) is een verschijnsel dat zich voordoet als mensen een referentie punt (baseline) missen om te kunnen begrijpen hoe de natuurlijke- en cultuurhistorische landschappen er generaties geleden uitzag en functioneerde. Praktisch alle mensen lijden aan dit syndroom doordat ze niet of nauwelijks praten met mensen die oudere, verloren gegane ijkpunten hebben. In het verlengde daarvan is de kennis van deze met oude ijkpunten verbonden onderzoeken en literatuur ook nauwelijks meer aanwezig.

 Kadastrale kaart 1900

Periode 5000 voor Chr – 1000 na Chr

De buurtschap Varsen kent al bewoning vanaf het Neoliticum 5300 – 2000 v. Chr. Deze tijd kenmerkt zich door de overschakeling van jager-verzamelaars naar een agrarische levenswijze. In die tijd had de mens nog nauwelijks invloed op het landschap en de landschapsvormende processen. Geleidelijk nam hun invloed toe waarbij steeds grotere delen van het oorspronkelijke bos werden vernietigd. Door deze ontwikkeling en het stijgende zeewater stagneerde de waterafvoer in de lage delen van het landschap, steeg de grondwaterspiegel en konden zich op grote schaal venen vormen (figuur 1). Dit ging door tot circa 800 na Chr. Vanaf dat moment werden vanwege een sterk toenemende bevolking steeds grotere delen van het landschap ontgonnen en werden landschapsvormende processen steeds sterker beïnvloed.

02-3000vc-800nc

Figuur 1: Tussen 3000 v.Chr en 800 na Chr nam het areaal veen in ons land sterk toe.

Boslandschap

Het boslandschap in het stroomgebied van de Vecht kwam voor op droge, vochtige en natte plaatsen waar geen sprake was van permanente overstroming van grondwater en stagnatie van regenwater dan wel een combinatie daarvan. Op deze plekken treffen we de moerassen aan.

Zoals gezegd traden er door verschillen in de opbouw van de ondergrond en de hydrologie zowel op landschapsschaal als ook op korte afstanden verschillen op.

Op korte afstand leidde dit tot open plekken in het bos. Dit waren bij uitstek de plaatsen van sluier-, mantel- en zoomgemeenschappen. Ook waar bomen afstierven zal men deze gemeenschappen hebben gevonden. Hoewel er plaatselijk invloed van de mens zichtbaar was waren de toenmalige oerbossen nog vrijwel onaangetast. Ze waren vermoedelijk voor mensen niet ontoegankelijk: de bomen werden zeer hoog (meer dan 40 meter) en stonden op ruime afstand tot elkaar.

De bodem was toen nog niet of nauwelijks verarmd en verzuurd, het humusgehalte en de basenbezetting hoog. De natuurlijke kringlopen van nutriënten was nog min of meer ongestoord.

De overgrote meerderheid van de nutriënten bevond zich in de bosvegetatie, de strooisellaag en de humuslaag. Er traden geen merkbare verliezen door uitspoeling op, mede doordat via het wortelstelsel hercirculatie van nutriënten optrad. Daardoor kon zich een relatief rijk bosecosysteem handhaven, waar de Linde een belangrijk onderdeel van uitmaakte. Bovendien heeft Linde een dermate rijk en goed

 

verterend strooisel dat de bosbodem onder deze boomsoort minder last heeft van bodemverzuring en podzolering dan bv. bosbodems onder Eik. Beuk was nog niet in ons land gearriveerd.

Op de droge zandgronden was Eik naast Linde in de regel de dominante boomsoort. Op droge lemige zandgronden was Linde vaak dominant over Eik. Op de overgang naar vochtige gronden werd daarnaast vooral Iep, Ratelpopulier, Es en Zachte berk aangetroffen en op drogere plaatsen binnen het bos Ruwe berk. Hulst komt op deze gronden wat meer voor dan op de leemarme gronden. Voor Esdoorn, Walnoot en Taxus kan hetzelfde worden vermoed.

Er werd altijd verondersteld dat het Atlantische en Subboreale Eiken-lindenbos uit een gemengde opstand van Eik, Linde, Iep, Es en eventueel andere boomsoorten bestond. Uit onderzoek in Ostfriesland blijkt echter dat het veeleer ging om een mozaïek aan opstanden die op zichzelf vrij homogeen waren voor wat betreft de samenstelling van de boomlaag. Plaatselijk groeide een bos waar Linde vrijwel de enige boomsoort was (85% winterlinde, 15% zomerlinde). Enkele honderden meters verderop was het aandeel van de zelfde boomsoorten minder dan 10% en domineerde de Eik volledig1.

Op de vochtige gronden zal Es en Els hebben gedomineerd, maar ook Eik is goed bestand tegen vochtige bodems. Op de overgang van kwel naar wegzijging werd , vermoedelijk net als heden ten dage, de boomgroei geremd door wisselnatte omstandigheden. Dit zijn bij uitstek de plekken voor struwelen met Gagel en breedbladige Wilgensoorten, maar ook Zachte berk zal hier zijn voorgekomen. Zachte berk zal ook een rol hebben gespeeld in vochtige laagten met stagnerend regenwater.

Natte bosse04-beeld-nat-oerbosn kwamen vermoedelijk op grote schaal voor. Langs de flanken van de stuwwallen kwamen bronbossen voor bestaande uit tot 40 meter hoge Elzen. Elzen zullen ook gedomineerd hebben in de Elzenbroekbossen in laagten in het dekzandlandschap. Daarnaast kwamen in de laagten vele soorten veen voor. Op zandplaten langs de rivieren kwamen bossen voor die gedomineerd werden door Zwarte populier.

Beeld vochtig/nat oerbos in het stroomgebied van de Vecht .

1 Zie Theo Spek, Het Drentse esdorpenlandschap. Deel 1. pag. 122 e.v. Utrecht 2004

 

Moerassen

De moerassen kwamen in het stroomgebied van de Vecht voor op waterverzadigde gronden met een laag dood plantmateriaal wat kan bestaan uit hout, zeggen, grasachtigen en mossen. Buiten de lokale neerslag is gewoonlijk nog water van buiten vereist in de vorm van grond en/of oppervlaktewater. De gradiënten worden bepaald door de aard van en de wijze waarop het water zich in het landschap verplaatst. Wat betreft de aard van het water komen overgangen voor tussen regenwater en calcium- en/of ijzerrijk water. De waterbeweging kan neerwaarts zijn in infiltratiegebieden en opwaarts in kwelgebieden. In veel gevallen echter stroomt het water aan of vlak onder het maaiveld. De begroeiing bestond uit boomloze Riet- en Zeggenvegetaties afgewisseld met Wilgenstruwelen, Elzenbroekbossen, Berkenbroekbossen en mogelijk Bronbossen. Vanuit deze situatie ontwikkelden zich geleidelijk hoogvenen.

Hoogvenen zijn vlakke, zeer open landschappen, gedomineerd door (veen)mosachtigen, met afwisselend welvingen (bulten) van veen en laaggelegen slenken, meerstallen en veenbeken. Langs de randen op de overgangen naar de zandgronden kwamen soms grote meren voor. Ze kenmerken zich door waterverzadigde, zeer voedselarme en zure gronden met dikke veenlaag . In stroomgebied van de Vecht nam de dikte van west naar oost toe van vermoedelijk een meter tot meer dan 8 meter. Door de oppervlakkige afvoer van water en opgeloste mineralen (deels oppervlakkig en deels door de toplaag) vindt aanrijking plaats naar de slenken binnen het veen en naar de randzone. Hierdoor ontstaat een gradiënt aan watertypen.

De vegetatie wordt gedomineerd door (veen)mosachtigen in een mozaïek van bulten (, S. fuscum, S. affine (=S. imbricatum), magellanicum en S. papillosum) en slenken (met ondermeer Sphagnum pulchrum en S. cuspidatum) afgewisseld met heide- en grasachtigen. De begroeiing van de meerstallen en meren was spaarzaam of ontbrak en bestond uit zeggen en enkele ondergedoken mossoorten. Langs de randen van de venen en op plaatsen waar zand opduikt, komen berkenbossen en natuurlijke veenmosrijke heiden voor.

05-Fig2a-moeras-en-hoogveen

06-Fig2b-moeras-en-hoogveen

Figuur 2: Beelden van een moeras (links) en een hoogveen (rechts) zoals ze vermoedelijk in het stroomgebied van de Vecht ontwikkeld waren.

 

2 Van het Beekbergerwoud is bekend dat de Elzen 40 meter hoog waren. (Bron: Nederlands kruidkundig archief)

De rivier

In dit door bos en moeras gedomineerde zandlandschap kronkelde de Vecht (zie figuur 3) Het waterregime van de Vecht werd bepaald door aanvoer van water uit het achterland – de Vecht is een regenrivier -, de peilen van de IJssel- vooral beïnvloed door regen- en sneeuwsmeltwater uit het Rijnachterland – en het getij van de steeds groter wordende Zuiderzee. Bij hoge afvoeren trad in de benedenloop en in de overgang naar de middenloop langdurige inundatie op over een uitgestrekt gebied (zie figuur 4). Bij dit waterregime hoorden relatief hoge stroomsnelheden en actieve erosie en sedimentatie van zand in de hoofdstroomgeulen en de delen waar de rivier een traject met veel reliëf doorsnijdt (Hardenberg-Ommen), en lage stroomsnelheden met sedimentatie van leem en klei buiten de hoofdstroomgeulen en in de trajecten met weinig reliëf (beneden Dalfsen en boven Hardenberg). In de delen met relatief veel dynamiek ontstaan afgesnoerde bochten in verschillende stadia van verlanding, kommen, eilandjes, zandige platen, strandjes, oeverwallen en rivierduinen. In de delen met relatief weinig dynamiek vormt de rivier een doorstroommoeras met allerlei verlandingsstadia. De rivier fungeert als hydrologische basis voor aanliggende pleistocene gronden. waardoor zich grondwatergevoede systemen bij en tussen de rivieren manifesteren. Opvallend daarbij is dat op plaatsen waar de basen (calcium)verzadiging hoger is contactzones met kalkmoerassen ontstonden.

De begroeiing van de oeverwallen en de overgangen naar de natte- en vochtige zandgronden bestond voornamelijk uit hardhoutooibossen bestaand uit hoog opgaande (ongeveer 40 meter)Iepen, Essen en waarschijnlijk Eik en Linde. In de kommen kwamen afwisselend boomloze Grote zeggenmoerassen, Zachthoutooibossen en Elzenbroekbossen voor. Van belang bij de differentiatie is de aanvoer van grondwater: naarmate deze toeneemt is de kans op boomloze vegetaties groter. Of de begroeiing van de rivierduinen alleen uit bos bestond is onduidelijk. Het voorkomen van korte vegetatie hangt enerzijds af van permanent hoge grondwaterstanden onder invloed van kwel aan de voet en anderzijds van begrazing door wilde herbivoren. De begroeiing van rivierduinen zal periodiek beïnvloed zijn door ijsgang waardoor korte vegetaties voorkwamen met stroomdalplanten. In de rivieren zelf kwamen zand- en slikplaten en eilandjes voor waar de begroeiing kon variëren van kale bodem naar zachthoutooibos.

De rol van de hakkende mens zal door bevers zijn vervuld.

07-beeld-Vecht-als-dynamische-meander

Figuur 3: Beeld van de Vecht als dynamische rivier.

 

Landschapsvormen en vegetatie

Na de verkenning van het stroomgebied van de Vecht in de periode van 5000 BP tot 800 na Chr gaat de aandacht nu uit naar de marke Varsen, in het bijzonder de vegetatie aan het einde van deze periode. Als basis gebruiken we de geomorfologische kaart (Alterra, Geomorfologische kaart]) en de Historisch Geomorfologische kaart 1890 (H.P. Wolfert, G.J. Maas en G.H.P. Dirkx 1996) waarop de landschapsvormen staan. Deze landschapsvormen zorgen voor een grote variatie in reliëf, en daarmee in grond- en oppervlaktewaterregime en bodemontwikkeling.

08-Geomorfolgische-kaart-Varsen-Bron-Alterra

09-Geomorfolgische-kaart-kleur-betekenis

Figuur 4: Geomorfolgische kaart van de buurtschap Varsen en omgeving. Bron: Alterra, Geomorfologische kaart

10-Figuur-5-Historisch-Geomorfologische-kaart-1890

Figuur 5: Historisch Geomorfologische kaart 1890 (H.P. Wolfert, G.J. Maas en G.H.P. Dirkx 1996)

Vegetatie

De oorspronkelijke bossen waren verdwenen van de dekzandruggen; door menselijk gebruik en uitloging van de bodem ontstonden meer zuurminnende heideachtige begroeiingen in afwisseling met struweel en resten bos. Sommige delen waren toen al in verstuiving. Voor zover de huidige vegetatietypologieën dat toelaten was er sprake van grazige begroeiingen van het Buntgras-verbond, het Dwerghaver-verbond, Verbond van Struikhei en Kruipbrem en het Verbond der heischrale graslanden,. De nog aanwezige bossen behoorden tot het Zomereiken-verbond, waarbinnen vermoedelijk op veel plaatsen (op de mullbodems) nog de beter gebufferde vormen van de Beuken-Eikenbossen waren ontwikkeld.

De oorspronkelijke grond- en oppervlaktewater gevoede moerassen en venen ontwikkelden zich steeds meer richting hoogveen. Onder invloed van de stijgende grondwaterstanden en de ver voortgeschreden ontbossing vermorste het landschap steeds verder, waarbij het veen uitgroeide boven de grond- en oppervlaktewaterspiegel en de invloed van neerslagwater verder toenam. Vanuit deze neerslagwater gedomineerde kernen konden veenmossen over steeds grotere oppervlakten hun eigen standplaatsomstandigheden creëren waardoor hoogveen zich kon uitbreiden. Zo ontstond tussen Vecht en Reest een gebied waarin grond- en oppervlaktewater gevoede venen afwisselden met hoogvenen. In het oosten – in ieder geval oostwaarts van Balkbrug domineerde de hoogvenen met dikke veenpakketten, naar het westen toe nam dikte hiervan af en kwamen over een steeds grotere oppervlakte grond- en oppervlaktewatergevoede venen voor die gekenmerkt zijn door dunnere veenpakketten. Uiteindelijk gingen deze “laagvenen” over in moerassen. Waarschijnlijk lag deze overgang westelijk van de marke Varsen.

De hoogvenen bestonden uit gemeenschappen van hoogveen bulten (Hoogveenmos-verbond) en slenken (Verbond van veenmos en Snavelbies). De drogere randen van deze venen waren gekenmerkt door natte en vochtige heiden van het Dophei-verbond, Gagelstruwelen en Berkenbroekbossen (Verbond der Berkenbroekbossen). In de overgangen naar de laagvenen waren Kleine-zeggenmoerassen (Verbond van Zwarte zegge) van basenarme standplaatsen ontwikkeld en plaatselijk van wat meer gebufferde standplaatsen (Draadzegge-verbond). Deze zeggenmoerassen werden afgewisseld met wilgenstruwelen van het Verbond van Grauwe wilg (Verbond der wilgenbroekstruwelen). Het aandeel van begroeiingen van het Draadzegge-verbond nam in westelijke richting toe, waar ze geleidelijk overgingen – maar dit was al ten westen van het grondgebied van de marke van Varsen – in rietlanden

In het stroomdal van de Vecht kwamen op de relatief hooggelegen delen zachthout- en hardhoutooibossen voor (respectievelijk Wilgen-verbond, het Essen-verbond, Verbond van Els en Es) in afwisseling met grazige begroeiingen. In de kommen waren over grote oppervlakten wilgenstruwelen (Verbond der wilgenbroekstruwelen), riet- en zeggenmoerassen (Riet-verbond, Verbond der Grote zeggen) en natuurlijke graslanden uit het Zilverschoon-verbond ontwikkeld. In de stroomdraad kwamen op zand- en slikplaten pionierbegroeiingen voor (Verbond van Harig wilgenroosje, Tandzaad-verbond, Dwergbiezen-verbond). De langdurig droogvallende zandplaten, lage rivierduinen en ruggen in kronkelwaarden waren het domein van begroeiingen met stroomdalplanten (Verbond van Gewoon struisgras). De oudere en hogere rivierduinen en ruggen in kronkelwaarden waren mogelijk al oppervlakkig uitgeloogd en gekenmerkt door meer zuurminnende soorten met een optimum in het Buntgras- en Dwerghaver-verbond. Juist in dit landschap waren ook (ruige) begroeiingen van mantels en zomen en mantels ontwikkeld die achtereenvolgens gerekend zouden kunnen tot het Verbond van Bramen en Sleedoorn, Moerasspirea-verbond (op natte plaatsen) en diverse plantengemeenschappen uit de Klasse der ruderale gemeenschappen.

Op de overgangen van de hogere delen (dekzandruggen, rivierduinen en stroomruggen) naar de lagere kwamen onder invloed van lokale grondwatersystemen veentjes tot ontwikkeling. Afhankelijk van de grootte van het lokale systeem en de daarmee samenhangende fluctuatietraject van de grondwaterstanden ontwikkelden zich Elzenbroeken (Elzen-verbond) of Kleine-zeggenmoerassen (Klasse der Kleine zeggen) . In samenhang met verschillen in het calciumgehalte van het uitredende grondwater waren zuurdere tot basenrijkere vormen van deze gemeenschappen aanwezig, respectievelijk Verbond van Zwarte zegge, Draadzegge-verbond en Knopbies-verbond.

 

Periode 1000 tot 1600

Na de grote Europese volksverhuizing groeide de bevolking. Door deze toename ontstonden er vanaf de 10e eeuw n.Chr. , vanuit de oudere nederzettingen, kleine woongemeenschappen. Tegelijkertijd groeide de behoefte aan landbouwgrond en vonden kleinschalige ontginningen plaats. De bevolking was weliswaar in die tijd horig aan de keizers van het Ottoonse rijk, maar we moeten ons de macht van de keizers niet te sterk voorstellen. Veel kleine boeren waren baas over eigen goed. Vanaf de 11e eeuw ontstond er een nieuwe situatie.

In de 11e eeuw n.Chr. , tussen 1027 en 1086, verkregen de bisschoppen van Utrecht van de Salische-Frankische keizer Hendrik de 4e de graafschapsrechten van Salland. Ze werden hiermee naast geestelijk vorst ook wereldlijk vorst. Om hun invloed in Salland veilig te stellen werden er gronden toegewezen aan adelijke leenmannen. De leenman werd geacht in ruil voor zijn leen beschikbaar te zijn voor diensten aan zijn leenheer. De middelen die hem daartoe in staat konden stellen moesten worden opgebracht uit zijn leengoed

De leen bestond uit de verplichting tot trouw en bijstand en het betalen van schattingen.

Vanuit deze situatie ontstonden in de 13e eeuw de marken. Voor het eerst wordt gesproken van de marke Varsen omstreeks 1400 n.Chr. . De marke werd aan de oostzijde begrensd door de marke van Ommen, aan de westzijde door de marke van Leuzen. In het zuiden, tussen Vecht en Regge, lag de Larinksmars welke ook tot de marke Varsen behoorde. Hier grensde Varsen aan de marke van Vilsteren, Giethmen en Besthmen. In het noorden grensde Varsen aan de marke Avereest.

 11-Markenkaart-deel-Overijssel

Figuur 6: Markenkaart van een deel van Overijssel

De marke Varsen bestond uit 16 waerdelen, waarschiijnlijk niet evenredig verdeeld over de aanwezige boerderijen. Deze boerderijen stonden min of meer geclusterd op een drietal lokaties. Rond 1600 stonden aan de oostgrens van de marke Grotenhuis, Vrijlink, Hemstede en Boserve of de Hof; aan de westgrens van de marke lagen Bouwhuis, Dortmanshoeve, Hogenkamp en de Arendshorst; centraal lagen Sandink, Nengbers, Vedder, Terschuur, Assies, Wittenberg, Luchies, Brinkhuis en Binnenmars. Deze laatste stond in de buurt van de in de Vecht gelegen sluis. In die tijd werd een sluis als Ziel aangeduid. De boeren in Varsen waren alle meijers. De eigenlijke bezitters , ook wel erfgenamen of eigengeërfden genoemd woonden in de provincie en waren van adel of gegoede afkomst. In 1434 had Seyno van den Water al een meijer op de Arendshorst. Havezate De Arendshorst was een leengoed van de proosdij Sint Lebuinus te Deventer en was leenroerig aan de bisschop van Utrecht. In 1408 beleende de proost van Deventer het goed aan Albert van den Laer. Havezaten waren bezittingen waaraan het recht van verschrijving in de ridderschap verbonden was. Het markerichterschap lag bij erfrecht op de Arendshorst. De markerichter had het beheer over de financiën van de marke en droeg zorg voor uitvoering van de besluiten die werden genomen op holtspraek. Hij werd voor zijn diensten betaald. Voor de uitvoering van zijn taak werd hij bijgestaan door verschillende personen, zoals gezworenen, markeschrijvers, schutters, armenjagers en anderen. De holtspraek werd in de regel eens per jaar gehouden. De beslissingen die daar werden genomen werden vastgelegd in het markeboek. Veel informatie over de bedrijfsvoering en de daarbij behorende ontwikkeling van het landschap kan uit de markeboeken gehaald worden.

Vanaf 1400 tot 1600 vonden geen grote landschapsecologische veranderingen plaats. Wel veranderde het landschap. Vanuit de drie boerderijclusters werd het landschap kleinschalig ontgonnen. Dit betrof de wat hoger gelegen zandgronden welke vooral als akkergrond in gebruik werden genomen, de nabij gelegen riviervlakten en komgronden die als hooiland in gebruik werden genomen en kleine hoogveenontginningen t.b.v. eigen gebruik. Het veranderde grondgebruik had tot gevolg dat de oppervlakte zachthout- en hardhoutooibossen, moerassen en hoogveen langzaam afnam. Het areaal hooiland en heide nam toe. De toename van hooiland leidde tot de ontwikkeling Glanshaver-, Zilverschoon-‘Blauwgraslandvegetaties. Onder invloed van begrazing ontwikkelden zich in de marsen heide-, kamgras-, zilverschoon- en stroomdalvegetaties .

Het aantal waardelen bepaalde de mate van gebruik van de gemeenschappelijke markegronden. Dit gebruik bleef in stand tot de markescheiding in 1826.

Tot de gemeenschappelijke markegronden behoorden de aan de Vecht gelegen marsen, bossen en de uitgestrekte woeste gronden, voornamelijk heide en hoogveen, noordelijk gelegen van de Hessenweg.

Uit het markeboek blijkt dat met name de marsen intensief werden gebruikt. Deze marsen bestonden afwisselend uit moeras, rivierduinen en dekzandruggen.

Begin 16e eeuw mochten er per meijer 10 gekramde varkens in de mars lopen. Dit houdt in dat er maximaal 170 varkens in de mars liepen. In de Larinkmars liepen deze niet. Deze mars , hoewel behorend tot de marke Varsen werd verhuurd aan de marke Besthmen voor het weiden van schapen. Per waardeel mochten er 100 schapen gehouden worden. In 1602 werden er op 9 bedrijven 700 schapen geteld. Als gevolg van de 80-jarige oorlog waren de overige bedrijven verwoest of verlaten. Onder normale omstandigheden zouden er dus maximaal 1600 schapen in de marke gehouden kunnen worden. De mars werd verder gebruikt voor het houden van ganzen en het steken van plaggen.

Vanaf 1572 moeten den huislieden, die plaggen willen maaien dit doen in de Laerer Marsch (=Larinkmars). Hiervoor zal de mars uitgezet worden en naar whaertal worden toegeslagen. I.v.m. verstuiving zijn de boeren verplicht 2 x per jaar 2 voer heide op het zand te brengen. Er mogen geen plaggen uit het moeras worden gehaald.

Hoeveel koeien er in deze periode mochten worden gehouden is niet duidelijk. Uit een getuigenverklaring uit 1551 blijkt dat de meijers van een 7-tal erven uit de marke Varsen hun vee in de marke van Dalmsholte plachten te drijven. (Dalmsholte was geen zelfstandige marke. De rechten waren over 7 aanliggende marken verdeeld)

Uit een andere verklaring blijkt dat de koeien gebrandmerkt werden alvorens ze het moeras werden ingejaagd. Dit betekent dat ze er het hele weideseizoen doorbrachten. Een gering aantal koeien werd ten behoeve van melk in de naaste omgeving gehouden. In 1705 mochten er per waardeel 4 koeien gehouden worden. Vermoedelijk werden deze door een koemeisje gehoed.

Periode 1600 tot 1826

Vanaf 1600 begonnen in de omgeving van de Vecht de eerste veranderingen in het landschap plaats te vinden. Door de grotere vraag naar brandstof werd turf en daarmee veen steeds belangrijker. Grootschalige verveningen vonden toen al plaats in noordwest Overijssel en in de omgeving van Zwolle. Ook in de buurmarke Leuzen werden plannen gemaakt om het veengebied tot de marke Varsen te ontginnen. Hiervoor werd in 163? de Leusener Compagnie opgericht. Niemand minder dan Jan Adriaanz Leeghwater ontwierp het plan. In 1635 werd met de uitvoering van het plan gestart. Als gevolg hiervan veranderde ook de onderlinge landschapsecologische samenhang tussen het oorspronkelijke veen- en moerasgebied met het Vechtdal.

In de marke Varsen werd vooralsnog op de oude voet voortgegaan. Wel ontstonden er conflicten met de buurmarken. Bekend is dat in 1720 een conflict is geweest met de marke Avereest over de winning van turf in het grensgebied. In 1750 is er in de markeboeken voor het eerst sprake van verkoop van kleine kavels veen aan derden. De grond bleef in eigendom van de marke.

Onder druk van een groeiende bevolking en daarmee een toenemende behoefte aan brandstof werden er meer gronden ontgonnen. Op deze gronden vestigden zich omstreeks 1750 de eerst bewoners. De eerste ontginningsboerderij stond aan de noordkant van de Hessenweg. De grootschalige ontginningen in de marke Varsen vonden pas na de markescheiding plaats.

Ook de financiële situatie van de marke is van invloed geweest op de ontwikkeling van het landschap.

De Munsterse oorlog met Bommen Berend heeft de marke Varsen evenals de andere marken in Ommen veel geld gekost. Als de rekening is opgemaakt blijkt er een schuld van 1161 Caroly gulden en 10 stuyvers te zijn. De eigengeërfden besluiten daarom 3 percelen markegrond te verkopen. Dit zal gebeuren bij een publieke verkoop op 26 juni 1684 ten huize van Gerrit Egberts binnen Ommen.

Er worden maar twee percelen verkocht nl. een perceel liggend op de punt waar Regge en Vecht samenkomen en een perceel heide van ca. 4 mudde gezaai groot, naast enig daarbij gelegen laagland. Hierop vestigde zich tussen 1684 en 1688 als meijer een zekere Asse Geerts. Afkomstig van de boerderij Frijlink. Deze Geerts wordt algemeen beschouwd als de eerste bewoner van De Dunnewind en heeft het land aangegraven (ontgonnen). Hij had in ieder geval twee zonen. De eerste is op De Dunnewind gebleven. De ander is in Varsen ingetrouwd. Deze is een voorvader van de auteur. In 1759 is er door de marke een scheidingswal aangesmeten (aangelegd) tussen De Dunnewind en de aangrenzende markegronden. Ter genoegdoening hiervan aan de eigenaar van De Dunnewind, Dhr. H.J. van der Wijck mag deze in 1783 een stuk grond aangraven “liggend om de hoek bij langs de Vegte in een regte lijn loopende van de sloot bij langs de akkermaalshegge op den Dunnewint noortwaarts aan tot in de Vegte te moogen aangraaven”. Dit was overigens al veel eerder uitgevoerd. Zie fig. 7.

De Dunnewint maakte deel uit van de Larinksmars. Behalve de boven genoemde ontginning van De Dunnewint bleef de rest van de Larinksmars nog ver na de markescheiding van 1826 tot 1846 woeste grond.

De ligging van De Dunnewindt heeft de boerderij een bijzondere functie gegeven. Omdat De Dunnewint zo dicht bij de rivieren Vecht en Regge is gelegen, was het een uitmuntende plaats voor schippers om aan te meren. Zo wordt De Dunnewint een herberg genoemd o.a door de graaf van Hogendorp. Ook in het markeboek van Varsen (12 september 1783) lezen we dezelfde functie van de boerderij.

In de volkstelling van 1795 wordt Jan Dunnewind genoemd als hospes (waard) van beroep.

Rondom de 3 clusters die samen de buurtschap Varsen vormden, ging tot aan de markescheiding van 1826 de ontginning van de hoger gelegen gronden, riviervlakten en kommen in het Vechtdal gestaag door.

De marsen bleven echter ongemoeid. Zie fig. 7.

Door deze ontwikkeling nam de oppervlakte akkerland toe en groeide het areaal Glanshaverhooiland. Ongetwijfeld gold dat ook voor de Zilverschoon- en Blauwgraslanden. Door een verdubbeling van het aantal stuks vee en in combinatie met de vele schapen namen in de marsen heide-, kamgras-, zilverschoon- en stroomdalvegetaties toe.

12-Hottingeratlas-uitsnede-Varsen-1772

Figuur 7: Hottingeratlas uitsnede Varsen 1772

Het grondgebruik tussen 1600 en 1826 week niet exceptioneel af van de voorliggende periode.

De willekeur uit 1663 en 1705 zeggen dat er op een volle waar 125 schapen en 4 koebeesten zullen mogen worden geweid. Opvallend is dat bij de volkstelling van 1748 zeven boerderijen waren met een schaapherder. Twee daarvan hadden ook een koemeisje in dienst. Het aantal toegestane koeien per waar verandert pas in 1804 wanneer wordt vastgesteld dat op een volle waar 125 schapen en 8 koebeesten, 4 vaarsen en 8 pinken gehouden mogen worden. Over varkens en ganzen staat niets meer vermeld. In 1824, vlak voor de markescheiding kon tevens tegen betaling van 30 cent voor een koe en 15 cent voor een vaars of pink vee ingeschaard met dien verstande dat er op een volle waar niet meer dan 12 koebeesten, 6 vaarsen en 12 pinken mogen weiden. Tevens geldt dat voor gewaarden die meer schapen dan beesten houden voor een koebeest 10, voor een vaars 5 en voor een pink 3 schapen mogen weiden.

Periode 1826 – 1950

In de franse tijd (1795 – 1813) werd de basis gelegd voor de huidige gemeenten. Hiermee kwam een eind aan oude lokale bestuursvorm van de marke. In Varsen vond in 1826 de markescheiding plaats. Dit hield in dat de gemeenschappelijke gronden naar waardelen toegedeeld werden aan de eigengeërfden.

Met de markescheiding brak de tijd van de grootschalige ontginningen aan. Deze zou tot aan de tweede wereldoorlog doorgaan. Verreweg het grootste deel van de woeste gronden ten noorden van de Hessenweg tot aan de Ommerschans werden verveend en geschikt gemaakt voor landbouw. De invloed van de Vecht was in die tijd nog zo groot dat het effect van hoge waterstanden in de rivier nog merkbaar was in de Vinkenbuurt. Om de de percelen enigszins te beschermen tegen het water werden wallen opgeworpen.

Vanaf 1900 kwam hier enige verandering in. De Vecht werd gekanaliseerd en door de bouw van stuwen werd het peil beheersbaar. Door peilbeheersing in de grote rivieren werd tevens de invloed van de Ijssel op het peil van de Vecht geringer. De afsluitiing van de Zuiderzee in 1932 had tot gevolg dat het peil nog beter beheersbaar werd. De maatregelen hadden tot gevolg dat de wateroverlast in het gebied afnam. Door slechte afwateringsmogelijkheden bleef de grondwaterstand hoog. Hierin kwam pas na de tweede wereldoorlog verandering. Hoewel de oorspronkelijke landschapsecologische samenhang tussen het veen- en moerasgebied met het Vechtdal verdwenen was, was er door de hoge grondwaterstanden nog wel enige relatie.

In het Vechtdal zelf ontstond na de markescheiding een kleinschalig verkaveld landschap. De onderstaande kaarten laten door de tijd heen zien hoe de verkaveling vorm heeft gekregen.

Op Hugueninkaart uit 1829 (Fig.8) is te zien dat er weliswaar een aanvang is genomen met de verkaveling maar dat grote delen nog onverkaveld waren. Figuur 9 en 10 (Grote historische atlas van Nederland 1830 – 1855) laten vrijwel het zelfde beeld zien. De historische atlas van Overijssel uit 1905 (Fig. 11 en 12) laat zien dat de Vecht is gekanaliseerd waardoor een scheiding is opgetreden in de Larinksmars. Verkaveling heeft vrijwel overal plaats gevonden. Tot 1955 veranderde dit beeld nauwelijks (Fig: 13).

13-Hugueninkaart-uit-1829

Figuur 8: Hugueninkaart uit 1829

14-Grote-historische-atlas-van-Nederland-1830-1855

Figuur 9: Grote historische atlas van Nederland 1830 – 1855

15-Grote-historische-atlas-van-Nederland-1830-1855-deel2

Figuur 10: Grote historische atlas van Nederland 1830 – 1855

16-Historische-atlas-van-Overijssel-1905

Figuur 11: Historische atlas van Overijssel 1905

17-Historische-atlas-van-Overijssel-1905-deel2

Figuur 12: Historische atlas van Overijssel 1905

18-Atlas-van-topografische-kaarten-1955-1965

Figuur 13: Atlas van topografische kaarten 1955 – 1965

Periode 1950 – 2010

Omdat de afwatering steeds beter geregeld kon worden werd vanaf 1950 het ontgonnen moeras- en veengebied boven de Hessenweg landbouwkundig steeds efficienter ingericht. Het gevolg hiervan was dat de grondwaterstand substantieël daalde en daarmee kwam definitief een einde aan de landschapsecologische samenhang die het gebied had met het Vechtdal.

Tot in de jaren 60 van de vorige eeuw kwamen er nog veelvuldig en langdurig overstromingen voor. De invloed van deze overstromingen beperkte zich voornamelijk tot het winterbed van de Vecht. Vanaf de jaren 70 nam de frequentie van de overstromingen af. Doordat het gehele stroomgebied van de Vecht waterhuishoudkundig beheersbaar werd.

Ook in het Vechtdal zelf zijn door intensivering van de landbouw veel kavels samengevoegd, afgegraven en geëgaliseerd, waaronder Dunnewind (Fig.4). In het gebied De Leusenermaan heeft de ruilverkaveling Dalfserveld in 1957 geleid tot enorme nivelering van het landschap. Hier zal verder op ingegaan worden.

Het huidige beeld van het gebied is dat er slechts restanten over zijn van het oude cultuurlandschap (Fig. 14).

Kenmerkende processen die samenhangen met de rivier zoals sedimentatie, erosie en inundatie komen praktisch niet meer voor. Dit geldt in grote lijnen ook voor grondwatergevoede systemen. De intensivering van de landbouw heeft geleid tot sterke overbemesting met o.a. fosfaat. Stikstof en Zwaveldepositie zijn in deze periode sterk toegenomen. Door al deze verstoringen zijn van de oorspronkelijk voorkomende vegetaties slechts relicten over.

19-recente-topografische-kaart

Figuur 14: recente topografische kaart

De Leusenermaan

Op de Hugueninkaart uit 1829 (Fig. 8) is te zien dat het gedeelte van de Leusenermaan boven de oude loop van de Stouwe al verkaveld is. Daaronder maakt het deel uit van het grote Vilsterense moeras. Na het rechttrekken van de Vecht ontstond een tweedeling.

Aan beide kanten van de Vecht bleef het verkavelingspatroon in de gehele Leusenermaan tot 1957 onaangetast. Hier kwam verandering in toen de ruilverkaveling Dalfserveld in uitvoering kwam. Het gebied werd vanaf waar nu de Stouwe loopt in westelijke richting geheel geëgaliseerd en diep geploegd.

Het zand voor de egalisatie was afkomstig van de in het gebied gelegen rivierduintjes en van het aan de overkant van het Vecht gelegen Vilsterense moeras (modelinge mededeling J.M. Mulder). Dhr. Mulder, oud 84 jaar heeft z’n hele leven op de Arendshorst gewoond. Veel grond van zijn bedrijf lag in de Leusenermaan. Op mijn vraag hoe het gebied er voor de ingreep uitzag antwoordde hij dat het te vergelijken is met het huidige kleine reservaat genaamd Hongerveld. Het gebied bestond volgens Mulder uit rivierduinen, oude Vechtarmen en vochtige tot natte weilanden. Dit beeld wordt bevestigd door een notitie van Jan ter Hoeve van de afdeling Natuurbescherming en Landschap van het Staatsbosbeheer uit 1950. Dhr. Mulder vergeleek begroeiing met die van de huidige reservaat Het Hongerveld. In het voorlopige advies van de Natuurwetenschappelijke Commissie uit 1950 wordt eveneens een dergelijk beeld beschreven. Er was in die tijd ook al veel strijd over de bestemming van de gehele Leusenermaan. Landbouw stelde zich op het standpunt dat, gezien de schaarste aan goede cultuurgrond het gehele gebied moest worden (her)ontgonnen. De natuurbescherming claimde een forse oppervlakte van de Maan. Uiteindelijk is na veel heen en weer gesteggel overeengekomen dat een klein deel van het gebied “Het Hongerveld” gespaard zou worden. Na zowat 20 jaar werd in 1967 de koopakte definitief getekend. Toen is ook de dijk rondom het reservaat aangelegd.

Samenvatting

Periode 3000 v.Chr – 1000 nc

In het begin van deze periode had de mens nog nauwelijks invloed op het landschap en de landschapsvormende processen. Geleidelijk nam hun invloed toe waarbij geleidelijk steeds grotere delen van het oorspronkelijke bos werden vernietigd. Door deze ontwikkeling en het stijgende zeewater stagneerde de waterafvoer in de lage delen van het landschap, steeg de grondwaterspiegel en konden zich op grote schaal venen vormen Dit ging door tot circa 800 na Chr.

Periode 1000 – 1600

Tussen 1000 tot 1600 vonden geen grote landschapsecologische veranderingen plaats. Wel veranderde het landschap. De hoger gelegen zandgronden werden ontgonnen en als akkergrond in gebruik genomen, de nabij gelegen riviervlakten en komgronden werden als hooiland in gebruik werden genomen.

Het veranderde grondgebruik had tot gevolg dat de oppervlakte zachthout- en hardhoutooibossen, Grote- en Kleine zeggenmoerassen, en hoogveen langzaam afnam. Het areaal hooiland en heide nam toe. De toename van hooiland leidde tot de ontwikkeling Glanshaver-, Zilverschoon-‘Blauwgraslandvegetaties. Onder invloed van begrazing ontwikkelden zich in de marsen heide-, kamgras-, zilverschoon- en stroomdalvegetaties .

Periode 1600 – 1626

Door grootschalige veenontginningen in de naburige marke van Leuzen en de kleinschalige in Varsen zelf vonden de eerste zichtbare veranderingen in het landschap plaats. Als gevolg hiervan veranderde ook de onderlinge landschapsecologische samenhang tussen het oorspronkelijke veen- en moerasgebied met het Vechtdal. In het Vechtdal zelf ging de ontginning van de hoger gelegen gronden, riviervlakten en kommen gestaag door. Door deze ontwikkeling nam de oppervlakte akkerland toe en groeide het areaal Glanshaverhooiland. Ongetwijfeld gold dat ook voor de Zilverschoon- en Blauwgraslanden. Door een verdubbeling van het aantal stuks vee en in combinatie met de vele schapen namen in de marsen de Grote- en Kleine zeggenmoerassen af en namen heide-, kamgras-, zilverschoon- en stroomdalvegetaties toe.

Periode 1826 – 1950

Deze periode kenmerkt zich door ontginning, waterbeheersing en een steeds intensiever wordende landbouw.

Veengebieden, riviervlakten en kommen enz. zijn ontgonnen en geëgaliseerd. De Vecht werd gekanaliseerd en door de bouw van stuwen werd het peil beheersbaar. Door peilbeheersing in de grote rivieren werd tevens de invloed van de Ijssel op het peil van de Vecht geringer. De afsluitiing van de Zuiderzee in 1932 had tot gevolg dat het peil nog beter beheersbaar werd. Hoewel de oorspronkelijke landschapsecologische samenhang tussen het veen- en moerasgebied met het Vechtdal verdwenen was, was er door de hoge grondwaterstanden nog wel enige relatie.

Periode 1950 – 2010

Deze periode wordt beheerst door waterbeheersing, verkavelingen, intensivering van de landbouw, overbemesting en zure depositie. De landschapsecologische samenhang is praktisch verdwenen. Kenmerkende rivierprocessen komen nog nauwelijks voor. Heide, Stroomdalvegetaties, Blauwgrasland, Grote- en Kleine zeggenmoerassen , Kamgrasweiden-, Glanshaver-, Zilverschoon- en Vossestaarthooilanden die horen bij het oude cultuurlandschap en een natuurlijke Vecht zijn grotendeels verdwenen.

Ontwikkelingsmogelijkheden in de 21e eeuw

Taskforce prioriteiten in beheer en regionaal strategisch plan

De ontwikkelingsmogelijkheden in de 21e eeuw zijn gebaseerd op de uitkomsten van de taskforce prioriteiten in beheer en de doorvertaling daarvan in het regionaal strategisch plan van de regio’s.

De directie Staatsbosbeheer heeft in juni 2009 besloten tot de keuzes die gemaakt zijn in het regionaal strategisch plan.

De taskforce prioriteiten in beheer heeft in opdracht van de directie Staatsbosbeheer de afgelopen jaren een visie ontwikkeld. Deze visie heeft voor ons land een kaartbeeld opgeleverd met streefbeelden voor de lange termijn (30-50 jaar). Bij het maken van de keuzes hebben een aantal criteria een rol gespeeld. Deze zijn in het afwegingskader aangegeven. Deze zijn:

1. Duurzaamheid; duurzame ontwikkeling is ontwikkeling waarbij de huidige wereldbevolking in haar behoeften voorziet zonder de komende generaties te beperken om in hun behoeften te voorzien;

2. Staatsbosbeheer vindt dat de kwaliteit van de natuur in Nederland gebaat is bij denken (en handelen) over natuur als een systeem en niet als een optelsom van soorten . Dat betekent dat Staatbosbeheer in haar beheer en ontwikkeling van het natuurlijk/cultuurhistorisch erfgoed van Nederland in de eerste plaats inzet op het herstel of initiëren van ecologische systemen die op eigen kracht verder kunnen ontwikkelen. Dit vraagt denken op langere termijn en op grotere schaal dan nu veelal gebeurt in de ruimtelijke ordening;

3. Herstel van abiotische landschapsecologische relaties (binnen de mogelijkheden die deze tijd ons biedt) op alle schaalniveaus is uitgangspunt;

4. De keuze in doelen die Staatsbosbeheer maakt, maken we binnen gebieden maar ook tússen gebieden. We bezien gebieden vanuit verschillende schaalniveaus, van internationaal tot aan locaal, met als doel om op het hogere landelijk schaalniveau te komen tot eenheid in beleid en afweging. Dit wordt ingevuld door de keuze die wordt gemaakt in een gebied te toetsen aan het (inter)nationaal belang van een dergelijk landschap en/of ecosysteem. Hierbij stellen we ons ten doel om het hele palet aan landschappen dat Nederland rijk is, zichtbaar te maken en te waarborgen. We hebben het hier zowel over natuurlijke landschappen als meer cultuurrijke landschappen, zie onderstaande figuur.

20-Schema-staatsbosbeheer

Het resultaat is een landelijk overzicht van alle terreinen van Staatsbosbeheer waarbij de gewenste ontwikkelingsrichting voor de langere termijn (2030) is aangegeven (duurzame uitwerking). `De keuze

voor de ontwikkelingsrichting is gebaseerd op landelijke overzichten waarin de prioriteiten en ambities voor de afzonderlijke taakvelden natuur, recreatie, cultuurhistorie en houtproductie staan.

In het regionaal strategisch plan van de regio oost is voor het gehele Vechtdal gekozen voor behoud en herstel van het cultuurhistorische landschap met bijbehorende waarden en biodiversiteit en een zo natuurlijk mogelijke Vecht.

Bij de ontwikkeling van het cultuurhistorisch landschap en de daarbij behorende biodiversiteit is de interactie tussen rivier, omgeving en mens bepalend geweest.

Bij rivierprocessen gaat het om erosie en sedimentatieprocessen alsmede een natuurlijke overstromings- dynamiek. Door normalisatie aan het begin van de 20e eeuw zijn deze processen grotendeels verdwenen.

De omgeving heeft grote invloed op het hydrologisch systeem en de daarbij behorende hydrologische gradiénten. Ook deze invloed is door ontginning en ontwatering vrijwel verdwenen.

Door het grondgebruik heeft de mens invloed gehad op het landschap alsmede op de biodiversiteit.

Aanvankelijk nam deze toe, later, in de 20e eeuw is deze, door intensivering, overbemesting en stikstof- en zwaveldepositie sterk afgenomen. De natuurlijke bodemvruchtbaarheid is verdwenen.

Herstelmogelijkheden

Voor duurzame ontwikkeling van de gemaakte keuze in het regionaal strategisch plan is herstel van de interactie tussen rivier, omgeving en mens noodzakelijk.

Voor herstel van geomorfologische rivierprocessen heb je vrij transport van sediment en water nodig . Dit kan alleen met een ondiepe rivier nodig en meer meanderlengte.

De mogelijkheden voor herstel worden bepaald door andere sectoren. In het herstelonderzoek “Toekomst van de Vecht als een halfnatuurlijke laaglandrivier (Wolfert, Corporaal,G.Maas, K. Maas, Maskaske en Termes; Alterra-rapport 1897)” bleken met name landbouw en recreatievaart een stempel te drukken op de ontwikkelingsmogelijkheden. In het rapport staan een 4-tal scenario’s beschreven. Voor herstel van de interactie tussen de rivier en het cultuurhistorisch landschap is een ondiepe vaargeul waarbij de stuwen van Junne en Mariënberg verdwijnen en de stuwen van Hardenberg, Vilsteren en Vechterweerd een halfnatuurlijk stuwbeheer krijgen verreweg het aantrekkelijkste scenario.

Gezien de huidige invloed van landbouw en recreatie lijkt dit het maximaal haalbare. Of dit genoeg is voor het door ons gewenste herstel valt te betwijfelen.

De mogelijkheden voor herstel van de landschapsecologische samenhang (hydrologisch systeem) zijn, met uitzondering van herstel van lokale hydrologische systemen, in Varsen beperkt. Voor andere gebieden in het Vechtdal zijn deze aanzienlijk groter.

Het grondgebruik en daarmee een natuurlijke bodemvruchtbaarheid is van de drie beïnvloedingsprocessen het makkelijkst te herstellen. Depositie is op deze schaal nauwelijks te beïnvloeden.

Maximaal herstel van de drie bovenbeschreven beïnvloedingsprocessen zijn voorwaardelijk voor een duurzame ontwikkeling van Heide en Stroomdalvegetaties, Grote- en Kleine zeggenmoerassen,

Kamgrasweiden, Glanshaver-, Zilverschoon- en Vossestaarthooilanden. Een afname in de deposiite zal een positief effect hebben op deze ontwikkeling.

In onderstaande kaders wordt uitgebreid ingegaan op de mogelijkheden van herstel en maatregelen die nodig zijn om soorten te kunnen laten overleven. (Sykora, Takman, Vogels 2010)

Stroomdalgraslanden

Stroomdalgraslanden kwamen en komen in beperkte mate voor op zandige oeverwallen en rivierduintjes, met enige menging van fijnere kleideeltjes. De lutum-fractie bedraagt maximaal 24%. Stroomdalgemeenschappen zijn slecht bestand tegen overstroming; in het groeiseizoen leidt inundatie met een periode van meer dan 10 dagen tot het afsterven van planten en bijgevolg afbraak van de gemeenschap. Winterinundaties worden langer getolereerd. De bodem is zwak tot matig gebufferd. Wanneer de omgevingscondities een te statisch karakter krijgen treedt verzuring op. Buffering wordt onder natuurlijke omstandigheden in stand gehouden door de aanwezigheid van dynamische processen. Het behoud van buffering kan op drie manieren plaatsvinden:

1. Periodieke overstroming door rivierwater, (bij voorkeur in de winter). Bij extreem hoog water wordt bovendien

vers zand afgezet, wat leidt tot een langduriger herstel van de buffercapaciteit.

2. Inundatie van de wortelzone (buffering van onderaf);

3. Inwaai van vers zand.

a. Lichte mate: aangevoerd zand leidt tot behoud buffering

b. Sterke mate: overstuiving leidt tot terugzetten van successie naar pionierstadia.

Stroomdalgraslanden zijn systemen die van nature verzuren, de toename van zure depositie leidt in deze systemen dan ook onherroepelijk tot een versnelde verzuring van het systeem. Het is moeilijk om deze extra zuurdruk met de bovengenoemde processen het hoofd te bieden. Een mogelijke maatregel is het bevordering van zandbuffering; hetzij door dynamisch beheer (rivierduinvorming en bijgevolg inwaai van vers zand), hetzij door actief herstelbeheer (het actief toevoegen van zand).

Stikstofdepositie leidt daarnaast tot een versnelde groei en bijgevolg versnelde strooiselophoping (vervilting). Het proces van vergrassing en verstruweling van stroomdalgraslanden treedt onder invloed van stikstofdepositie bovendien versneld op. Zowel verzuring als vermesting leggen een verhoogde druk op deze systemen, natuurlijke processen die in het verleden de kwaliteit van stroomdalgraslanden behielden zijn in de tegenwoordige tijd niet altijd meer toereikend. Daarnaast heeft met name de depositie van ammoniak direct negatieve gevolgen op de overleving van hogere planten. Dit effect geldt nog sterker voor de in het verleden sterk met stroomdalgraslanden geassocieerde korstmossen. Ammonium is vanuit de lucht direct toxisch voor veel soorten korstmossen.

Het ontwikkelen van nieuwe stroomdalgraslanden is naar verwachting goed mogelijk. Tot op heden zijn er echter geen voorbeelden bekend van het ontwikkelen van stroomdalgraslanden tot in de volwassen en eindstadia. De recente, hernieuwde beschouwing van het rivierstroomdal als dynamisch systeem, waarbij geboorte en overlijden van habitattypen (tot op beperkte hoogte) toegestaan is, kan een belangrijke impuls geven aan het ontwikkelen van nieuwe stroomdalgraslanden.

Naar verwachting is natuurontwikkeling door het kunstmatig aanleggen van rivierduinen, waarbij gebruik gemaakt wordt van systeemeigen zand, ook goed mogelijk, maar is tot op heden niet experimenteel uitgevoerd. In het verleden zijn veel stroomdalruggen en rivierduinen geëgaliseerd, het terugbrengen van het natuurlijk reliëf kan in dergelijke gevallen als herstelprogramma worden ingezet.

Een belangrijk knelpunt bij het ontwikkelen van nieuwe stroomdalgraslanden is dat de meeste karakteristieke planten van stroomdalgraslanden een kortlevende zaadbank hebben. Herstel van standplaatscondities leidt derhalve niet tot herstel van vegetatie, wanneer er geen bronpopulaties in de directe omgeving aanwezig zijn. In het geval dat er geen bronpopulaties aanwezig zijn, is herintroductie van soorten naar verwachting nodig. Dit kan zowel op passieve wijze (door het verplaatsen van grazers bevorderen van zaaddispersie) als actieve wijze (het opbrengen van maaisel tot actief herintroduceren mbt zaaien) uitgevoerd worden.

Kamgrasweiden, Glanshaver-, Zilverschoon- en Vossestaarthooilanden

Kamgrasweiden, Glanshaver-, Zilverschoon- en Vossestaarthooilanden ontstaan op kleiige, tot licht zavelige gronden. De lutumfractie van de bodem is hoger dan bij Stroomdalgraslanden. De combinatie van zand en slib maakt deze systemen voedselijker dan Stroomdalgraslanden. Evenals Stroomdalgraslanden zijn ze slecht bestand tegen overstromingen (langduriger dan 10 dagen).

Op de laagst gelegen terreindelen komt het Zilverschoonverbond voor. Vossenstaarthooilanden zijn beter bestand tegen langdurige overstromingen dan Glanshaverhooilanden en Kamgrasweiden. Het eerste type is dan ook vaak op lager gelegen terrein te vinden. Glanshaverhooilanden liggen in de regel op dezelfde hoogte als Stroomdalgraslanden, maar kennen een kleiiger bodemopbouw. Glanshaver- en Vossenstaarthooilanden zijn sterk gelieerd aan Kamgrasweilanden (Cynosurion); het beheer is hier in hoge mate bepalend voor het type dat ontstaan is. Begrazing leidt tot ontwikkeling van Kamgrasweiland, maaien leidt tot de ontwikkeling van Glanshaver- en Vossenstaarthooilanden. In het verleden was het boerengebruik van deze standplaatsen veelal een combinatie van maaien en begrazen, waardoor beide typen naast elkaar voorkwamen. Afhankelijk van de huidige kwaliteit kan in het beheer dan ook gestuurd worden op Glanshaver- en Vossenstaarthooilanden dan wel Kamgrasweiden.

Op kwelplekken komen daarnaast Dotterbloemhooilanden voor (Calthion palustris); op laaggelegen klei/zavel op veen kunnen Kievitsbloemhooilanden voorkomen.

Een belangrijk probleem dat optreedt is een te hoge fosfaatbelasting op het systeem. Limitatie is in dit type graslanden minder strikt aan 1 element toe te wijzen, een toename van de beschikbaarheid van Fosfor (P) heft al snel de limitatie hiervan op; deze verschuift vervolgens in de richting van Kalium (K) en Stikstof (N). Ondertussen leidt P-bemesting wel tot een afname van de biodiversiteit.

Veel Kamgrasweiden, Glanshaver-, Zilverschoon- en Vossestaarthooilanden zijn gedegenereerd door een te hoge fosfaatbelasting. Doordat onder deze p-belasting de limitatie al snel verschuift naar K (en N) is maaibeheer onder aangetaste condities weinig effectief; veel P wordt niet afgevoerd door maaibeheer.

Herstelbeheer kan utgevoerd worden door met behulp van een aanvullende bemesting met K en N de plantengroei dusdanig te stimuleren dat met maaibeheer P effectief uit het systeem verwijderd kan worden. Het meest effectief is om Westerwolds raaigras in te zaaien. Maaien en afvoeren dient minimaal driemaal per jaar uitgevoerd te worden, net zolang tot er voldoende verarming heeft opgetreden. Per jaar zal dan ongeveer 100kg/ha uit het systeem verdwijnen. In de lage kommen blijft fosfaatbelasting een probleem.

Het volledig nieuw ontwikkelen van Kamgrasweiden, Glanshaver-, Zilverschoon- en Vossestaarthooilanden kan uitgevoerd worden door middel van ontgronden.

De fosfaatverzadigde bodem wordt in dat geval verwijderd, waardoor de uitgangssituatie voor een soortenrijke ontwikkeling wordt hersteld. Ook in deze situatie geldt dat het opnieuw vestigen van karakteristieke plantensoorten hoofdzakelijk afhankelijk is van bronpopulaties in de nabije omgeving: de meeste soorten hebben een kortlevende zaadbank. Bij afwezigheid van bronpopulaties kan gekozen worden tot het opbrengen van hooi van de dichtstbijzijnde, dan wel meest vergelijkbare, goed ontwikkelde Kamgrasweiden, Glanshaver-, Zilverschoon- en Vossestaarthooilanden.

Conclusies

In het regionaal strategisch plan van de regio oost is voor het gehele Vechtdal gekozen voor behoud en herstel van het cultuurhistorische landschap met bijbehorende waarden en biodiversiteit en een zo natuurlijk mogelijke Vecht.

Bij herstel van het cultuurhistorisch landschap liggen een aantal mogelijkheden voor:

• 1000 – 1600 kleinschalige akker- en hooiland ontginningen, marsen in gemeenschappelijk gebruik.

• 1600 – 1826 voortschrijdende kleinschalige ontginningen, waaronder de Dunnewint, marsen gemeenschappelijk in gebruik.

• 1826 – 1950 grootschalige ontginningen, gemeenschappelijke gronden van de marsen opgedeeld.

• 1950 –2010 percelen worden samengevoegd, grootschaligheid blijft verder toenemen.

Om de karakteristieke biodiversiteit van de eerste drie perioden te kunnen realiseren zijn ingrijpende maatregelen nodig:

• Herstel (half)natuurlijke Vecht

• Herstel hydrologisch systeem

• Herstel natuurlijke bodemvruchtbaarheid

• Afname van depositie.

Het gewenste maximale resultaat is alleen haalbaar als voldaan wordt aan alle voorwaarden. Als hieraan niet kan worden voldaan ontstaat er een situatie waarbij abiotische landschapsecologische processen nauwelijks meer invloed hebben op de ontwikkeling van het gebied. In een dergelijke situatie rest slechts een keuze voor een geheel nieuw landschap. In een dergelijk landschap ligt een vorm van natuurlijke begrazing meer voor de hand. Onverlet staat dat ook in dit landschap de cultuurdruk moet verminderen.

Met dank aan

In willekeurige volgorde: André Jansen, Joost Vogels, Karle Sykora, Piet Schipper, Jan van Ginkel, H. Mulder, Henri Jutten, Geert Kooijman, en Gilbert Maas. Een speciaal woord van dank gaat uit naar Gert Hemstede die belangrijke kennis heeft ingebracht over de geschiedenis van de buurtschap Varsen.

Literatuur

Bosatlas van Nederland 2007

De atlas van Huguenin: militiar topografische kaarten van Noord Nederland 1819 – 1829

Hottingeratlas van Noord- en Oost Nederland 1773 – 1794

Grote Historische Atlas van Nederland, Deel 3 Oost Nederland 1830 – 1855

Historische atlas van Overijssel 1905

Geomorfologische kaart van het stroomgebied van de Vecht: Alterra 2009

Historisch centrum Drenthe: diverse kaarten

Historisch centrum Overijssel: diverse kaarten

Historisch centrum Overijssel: Markeboek Varsen

E. Dijk: As de dag van gisteren; verhalen uit het leven van Evert Dijk

F.W. van Eeden: Onkruid, botanische wandelingen aan het begin van de 20e eeuw

M.A.W. Gerding: Vier eeuwen turfwinning; De verveningen in Groningen, Friesland, Drenthe, en Overijssel

A.J. Gevers & A.J. Mensema: De Havezaten in Salland en hun bewoners

T. Spek: Het Drentse esdorpenlandschap, een historisch geografische studie, Utrecht 2004.

G.Steen en W. Veldsink: De geschiedenis van Ommen

H.P. Wolfert, G.J. Maas en G.H.P. Dirkx: Het meandergedrag van de Overijsselse Vecht; historische morfodynamiek en kansrijkd+om voor natuurontwikkeling;

H.W. Wolfert, A. Corporaal, G. Maas, K. Maas, B. Maskaske en P. Termes; Alterra-rapport 1897)” Toekomst van de Vecht als een halfnatuurlijke laaglandrivier

Archeologische Rapporten Oranjewoud 2009/105; Bureauonderzoek en veldtoets ten behoeve van natuurontwikkeling nabij Varsen, gemeente Ommen (Ov.): A.M. Bakker en A. Spoelstra

Regionaal Strategisch Plan; Regio Oost

Taskforce prioriteiten in beheer: G.J. Baaijens, P.C. Schipper en E. Takman: Achtergronddocument “Thermometer natuurlijke landschappen” Driebergen 2009

Taskforce prioriteiten in beheer: J. van Montfort: Afwegingskader Driebergen 2009

Taskforce prioriteiten in beheer: PC.Schipper, E. Harkema, E. Takman: Achtergronddocument “Landschapsecologische kaart van Nederland, op basis van abiotische kenmerken” Driebergen 2009